Volkskrant, 10 november 2005
Sasja Kooistra

Ongewone Vleugels

Pianist Polo de Haas houdt ervan genres te vermengen. Dat doet hij in zijn jaarlijkse concertreeksen. Zaterdag toont hij wat er allemaal al niet bestaat aan piano’s.
Polo de Haas, ooit omschreven als ‘pianistische duizendpoot’, beweegt zich al meer dan veertig jaar door diverse muziekgenres. In zijn jaarlijkse concertenreeks de Polo de Haas Serie combineert hij klassieke, geïmproviseerde en eigentijdse muziek met andere disciplines als poëzie en beeldende kunst.
“Twaalf keer drie concerten, dat zijn een boel programma’s”, zegt De Haas verbaasd, wanneer hij zich realiseert dat hij alweer toe is aan het twaalfde jaar van zijn series, die elk bestaan uit drie avonden. Elke avond heeft een thema; zaterdag is in Piano? Piano! het programma
“niet gericht op de pianist maar op de piano” – waarbij allerlei mogelijkheden van het instrument aan bod komen.
Topstuk is de Double Borgato een “technisch hoogstandje” uit Italië: een door Luigi Borgato handgemaakte dubbele pedaalvleugel. De Borgato bestaat uit twee vleugels boven elkaar: één op poten en één op de grond. De bovenste wordt gewoon bespeeld; de bassen in de bodembak worden met de voeten bediend via pedalen. De Borgato is een moeilijk te bespelen instrumeent. De Parijse pianist Simon Adda Reyss, ook afgestudeerd organist, is twee keer naar Verona geweest om er op te studeren. “Hij heeft zich kapot gewerkt voor twintig minuten spelen. In het begin was hij vrij moedeloos, en dacht eerder een maand studie dan een paar dagen nodig te hebben. Maar nu is hij helemaal gek van die vleugel.”
De Haas is na de vondst van de Borgato op zoek gegaan naar andere ‘buitenbeentjes’ om zijn pianoprogramma te complementeren. “De twee historische piano’s komen uit het atelier van restaurateur Frits Janmaat in Amsterdam. Het enige wat ontbreekt is een gewone vleugel.
Die kennen we al.” Met de Japanse pianiste Tomoko Mukaiyama speelt De Haas op een zeldzaam Duo Klavier, een drie meter lange, vierkante dubbele vleugel. “We zitten als het ware tegenover elkaar aan hetzelfde klavier te spelen.” Verder zijn er concerten op een parallel gesnaard Erard-klavier, een Disklavier (een digitale variant van de pianola) en een kinderpiano met extra smalle toetsen. Na afloop spelen medewerkers van het Pianola Museum Amsterdam op pianola’s. De Haas is al bezig met de serie van volgend jaar. Via via is hij in contact gekomen met een Noor die klassieke muziek maakt op zijn mondharmonica. “Ik kan daar wel een thema van maken: met een accordeon en een bandoneon, en een orgeltje – eigenlijk met alles wat blaast.”
Piano?Piano!, Amsterdam, Beurs van Berlage, zaterdag 12 november 2005 om 20.15 uur
Zie ook www.polodehaas.com

PAROOL, 4 november 2000

Polo de Haas treedt vanavond op in de Beurs van Berlage, met o.a. de drummer Pierre Courbois en de Indiase danseres Kalpana Raghuraman

Minibiografie (niet geautoriseerd)

Uiterlijk: eeuwig jongensachtig. Beroep: pianist. Kon als kleuter al alle namen van de muzieknoten opnoemen en aanwijzen op het klavier. Studeerde: medio jaren vijftig aan het Amsterdams Conservatorium nadat hij korte tijd psychologie had gestudeerd. Had later les van Eduardo del Pueyo in Brussel en Aline van Barentzen in Parijs, met studiegenote en toekomstige echtgenote Nelleke Geesink. Won in 1962 in Amsterdam de eerste prijs tijdens het ICC Pianisten-concours. Passie: muziek, muziek en nog eens muziek. En ook: een brug slaan tussen diverse muziekstijlen en tussen muziek en andere kunstvormen. In de Beurs van Berlage is dan ook niet alleen muziek te horen, maar ook dans te zien van Kalpana Raghuraman. Presenteerde ooit: een van de leukste muziekprogramma's van de Nederlandse televisie, getiteld Spelen met muziek. Eigenlijk: doet Polo de Haas nooit iets anders dan spelen met muziek.

NRC POLO DE HAAS OVER DE KLOOF (1995)
Henk van Gelder

"Voorlopig wil ik nergens specialist in zijn", zei Polo de Haas in 1962 in een interview. Glimlachend hoort de pianist het citaat ruim drie decennia later aan en zegt:" Dat klopt nog vrij aardig."
Zaterdagavond begint in de Beurs van Berlage in Amsterdam een serie van drie verschillende concerten, waarbij zijn naam de enige constante factor vormt. Het eerste is aanvankelijk een solo-recital met werk van Scarlatti, Satie, Loevendie, Bruynèl en De Haas zelf, maar behelst in de pauze de consumptie van een PdH-cocktail, gaat verder met een door Charlotte Mutsaers geschreven verhaal en wordt afgesloten door zijn jazz-trio met Pierre Courbois (drums) en Egon Kracht (bas). In het tweede, een maand later, laat Polo de Haas dankzij de pianorol-collectie van het nieuwe Pianola Museum horen hoe zijn eigen spel verschilt met dat van Mahler, Paderewski, Ravel en Saint-Saëns. En tijdens het derde concert spelen Polo de Haas en Kees Wieringa Canto Ostinato van Simeon ten Holt, die zelf een inleiding houdt.
"Eind jaren zestig heb ik al eens een concert geprobeerd met vóór de pauze echt klassiek en daarna een jazz-trio. Dat ging helemaal niet. De liefhebbers van klassiek konden niet tegen die jazz en omgekeerd. Toen dacht ik: laat maar zitten. Nu heb ik het gevoel dat ik de tijdgeest iets meer méé heb. Het grijpt iets meer in elkaar - neem alleen al Loevendie - en de jazz is iets meer established geworden. Ik hoop het publiek daarin mee te krijgen.
"Maar het zal nooit helemaal bij elkaar komen. Zelf heb ik vanaf mijn eerste pianolessen altijd geïmproviseerd. Ik had ook al heel gauw in de gaten dat het reguliere leven van een pianosolist niets voor mij was. Altijd op reis, op hotelkamers, repeterend of spelend. Zo triest, zo eenzijdig, zo geborneerd ook. Ik zou me waanzinnig hebben verveeld. Ik heb ervoor gekozen om zoveel mogelijk mijn hele pallet aan te spreken en de muziek te maken die mij op dat moment het meeste boeit. In financieel opzicht heb je het dan wat minder, maar het is een veel levendiger bestaan. Ik heb ook veel geëxperimenteerd. Met muziektheater bijvoorbeeld, tot ik eind jaren zeventig in de gaten kreeg dat het theatrale steeds minder met muziek te maken had - toen hield het voor mij op. En, jazeker, in de free jazz heb ik volop mee-gepiepknord toen dat aan de orde was, tot gelukkig het belang van structuur weer werd ingezien.
Nog steeds speel ik alles wat me aanspreekt, of het nu jazz is, de verloren gewaande composities van Boris Pasternak of de hedendaagse muziek van iemand als Ten Holt. Maar ik besef dat er een kloof gaapt die nooit helemaal kan worden gedicht. Een vriend van mij wijst Ten Holt af; hij vindt het vreselijk. Van hem kan ik me daarbij neerleggen, omdat hij serieus geluisterd heeft en op basis daarvan zijn conclusies heeft getrokken. Ik doe dus wel mijn best om mensen met al die genres in contact te brengen. Zelf heb ik trouwens ook een gordijn om me heen waar het popmuziek betreft. Dat vind ik zó ontzettend gemakkelijk, met die twee of drie akkoorden - dat is te dom voor woorden.
Wat volgens mij absoluut niet helpt, is het verjazzen van de klassieken. Het resultaat is geen klassiek meer en ook geen jazz. Niets wordt er beter van. Bach is zo schitterend en zo totaal af, daar wil ik helemaal niet met mijn voet bij tikken. Aan de andere kant hebben componisten Strawinsky en Milhaud jazz-elementen en ragtime verwerkt, zonder daar iets van te begrijpen. Dan is het niets meer dan een stijlcitaat.
Die kloof is er dus. En mijn loopbaan is als een brug tussen de uitersten, waar ik soms doorheenzak."

Entr'acte, Melchior Huurdeman, De Vertolking 1992

De Haas speelt Loevendie en De Leeuw

De vleugel ligt bezaaid met Donemus partituren en aan elkaar geplakte kopieën. Een nieuwe compositie van Willem Jeths - 'dedicated to Polo de Haas' - ligt opengeslagen. Potloodstrepen, cijferwerk en ezelsoren verraden dat het heavy stuff is. 'Hedendaagse stukken zijn nu eenmaal complex, maar wat denken die jonge componisten: ja, die De Haas kan dat allemaal wel spelen, laten we het nog wat moeilijker maken. Daar houdt ik wel van.' Roderik de Man heeft die ochtend nog drie 'akkoorden' gebracht:: naast de vleugel staan drie plankjes, met de blokjes aan de onderkant van de houten latjes kan pianist Polo de Haas een of meer toetsen op het klavier tegelijk indrukken. Een plak lood zorgt ervoor dat de toetsen ingedrukt blijven.
Akkoorden dus, die door twee handen met geen mogelijkheid te omvatten zijn - een aardige vondst van de Nederlandse componist Roderik de Man. Ach, arme Steinway bouwjaar 1930? Het instrument werd in zijn jonge jaren vriendelijk betast door de handen van Arturo Benedetti Michelangeli, Moniek Haas, Artur Rubinstein en Robert Casadesus, getuige de handtekeningen op het raamwerk van de vleugel. Polo de Haas zou zijn handtekening wel willen plaatsen in de verre toekomst, 'voor de grap natuurlijk, ik wil niet net doen of ik in dit rijtje thuis hoor.' Polo de Haas was het type dat ooit een 'klassieke' concertpianist had moeten worden - hij was uit het juiste hout gesneden voor de grote podia. In drie jaar tijd behaalde hij zijn solistendiploma aan het Amsterdams Conservatorium bij Jan Odé. Ging daarna naar Brussel om bij Eduardo del Pueyo verder te rijpen, toog naar Parijs en kroop achter het klavier bij de op drank lopende Jacques Février - vriend van Poulenc en Ravel.
Het was begin jaren zestig toen Polo de Haas in Parijs de uit Brabant afkomstige componist Alphons Stallaert ontmoette. 'Hij liet me kennis maken met composities die ik nog nooit had gehoord. Hij schreef een stuk voor mij en dat vond ik zo fascinerend. Hoe vaker ik het speelde des te wijder gingen mijn oren open staan voor moderne muziek.'
In 1964 keerde De Haas terug naar Nederland, trad op met vrijwel alle Nederlandse orkesten, het Concertgebouworkest incluis en speelde het klassieke repertoire.
Kort daarop volgde de ommekeer. Hij was al dat geschitter en klatergoud van dé grote solist meer dan beu. 'Je bent namelijk meer met jezelf bezig dan met de muziek.'
De Toccata van Theo Loevendie was een van de eerste hedendaagse stukken die hij, na zijn Parijse avontuur met Stallaert, speelde. 'Die Toccata was een waanzinnig avontuur voor mij. Het was net of het licht gaf. Ik vloog op de hedendaagse muziek af als een mug op een lamp.' Hij verdiepte zich in het werk van Leon Orthèl en Willem Pijper, bestudeerde Stockhausen en Berio, vormde samen met Harry Sparnaay Fusion Moderne en werd lid van STEIM. Na de elektronische periode ging hij verder met slagwerker Pierre Courbois - 'we improviseerden driftig met van die kasten van versterkers en batterijen. Moog synthesizers op het podium. Jaren zeventig, je kent het wel.'
Tegenwoordig doet hij nog wel dingen met tape, maar de meeste tijd gaat zitten in zijn eigen Polo de Haas Quartet met geïmproviseerde muziek, het optreden als solist, nog wat lessen geven en cd's maken.
In maart van dit jaar nam De Haas in Praag voor het label Clavicenter een nieuwe cd op met composities van Theo Loevendie: Toccata, Two Short Pieces, Strides en Walk, Ton de Leeuw: Les Adieux en Polo de Haas: Improvisations and Harmonies.
In Praag? Het Nederlands Impresariaat heeft deze cd gedeeltelijk gefinancierd en ze hadden een vaste opname locatie in Praag. Het is een avontuur geworden. De zaal stond vol tafeltjes en stoeltjes, want 's ochtends was er nog een politieke bijeenkomst geweest. Straatgeluiden drongen door tot in de zaal. De drilboor van de stratenmaker noopte de solist en het opnameteam tot lange wachtpauzes. 'Dan hoorde ik weer via de intercom: ztop, ztop, we ghave noizes vrom outside'. De sfeer in Praag was ook niet meer zo prettig als tien jaar geleden, dat mistte zijn uitwerking niet, dat beïnvloedt je spel.
' De opnametechnici hadden nog nooit van Loevendie of De Leeuw gehoord en de pianist heeft ze behoorlijk moeten sturen. Nu kan ik erom lachen, omdat het resultaat goed is.'

Voordat Polo de Haas afreisde naar Praag, werkte hij met de componisten nog grondig aan de stukken. 'Theo heeft mij al heel frequent zijn composities horen spelen, maar toch wilde ik dat hij nog even langskwam. En dan heb je het over kleine, maar zeer belangrijke dingen. Theo gaf aan hoe sterk een accent moest zijn, hoe ver het pedaal bij een bepaalde passage kon worden ingedrukt. Bij Toccata dacht ik: dit kan ik bij enkele passages veel beter zonder pedaal spelen. Het begin is martellato op een c, zonder pedaal. Maar in de volgende maat schrijft Theo heel even pedaal voor. Als je dat in een langzamer tempo zou doen, mist dat zijn effect niet, maar Allegro, nee, dan kun je het beter weglaten. Voor mijn gevoel moest Toccata ook niet worden onderbroken door het pedaal. Verderop in het stuk in het Lento staat heel veel pedaal voorgeschreven, maar dat past op die akkoorden zo bijzonder fraai. Ik snap wel waarom hij het soms voorschrijft: hij ziet die bewuste passage meer als een akkoordformatie, niet zozeer als virtuoos gedoe. Maar we konden allebei tevreden zijn, want die virtuositeit kwam tot z'n recht zonder dat de akkoordenformaties eronder leden. Als je echt die tonen wilt laten samenklinken kun je ook bepaalde tonen een fractie langer aanhouden.
'In Walk had Theo een rust voorgeschreven van vijf tellen. Leek me een beetje te lang. De spanning zakte wat weg. Je hebt gelijk Polo, zei Theo, laten we er één wegstrepen. Zo ging dat dan. Dat is het fijne van met een componist samenwerken. Natuurlijk geeft het ook wel een extra druk, je voelt die hete adem over je schouder blazen, maar uiteindelijk heeft het een positieve invloed op je spel.
Bij Ton de Leeuw blaast die adem nog iets sterker. Als pianist wil je toch vaak de solist uithangen, je denkt bijvoorbeeld: dit kan veel pianistischer klinken. In Les Adieux zitten een paar momenten waar het nogal statisch is en dan wil je met dat materiaal wat meer doen. Ton wil daar niets van weten. Hij is huiverig voor teveel personificatie van de vertolker. Hij gaf me daarvoor het sleutelwoord: denk aan gamelan Polo, dat is het niet, maar het mag die sfeer wel een beetje hebben. Dat verstilde, er gebeurt helemaal niets. Ja, natuurlijk, dacht ik daarna, het ligt voor de hand, maar ik had er niet zo snel aan gedacht.'
Les Adieux stamt uit 1998 en was Ton de Leeuws laatste stuk dat hij in Nederland componeerde. De Leeuw heeft in Les Adieux geprobeerd een groot organisme te componeren waarin iedere noot noodzakelijk is.
Het is een stuk met een hele lange adem, het is tonaal, bijna klassiek. Ton maakt veel gebruik van octatoniek en hele toonafstanden. De tonen a en b komen in het hele stuk regelmatig terug, het is een bindend aspect. De inleiding heeft iets van: ik ga jullie een verhaal vertellen, het gordijn gaat open - hij schrijft ook parlando voor. Het is eigenlijk een ouverture en ritmisch mag je dat wat mij betreft heel vrij interpreteren. Het zou verkeerd zijn om hier heel precies te gaan zitten tellen, dat heb ik in het begin bij het instuderen wel gedaan, maar dat laat je op een bepaald moment los. Daarna begint hij - calmo ritmo regolarmente- die spanningsboog op te bouwen. De Leeuw belde mij op en zei, dat hij met mijn opbouw van zijn stuk erg gelukkig was. Dat is toch fantastisch. Van Beethoven zou ik ook wel eens een telefoontje willen, mooi Polo die lange adem in Opus 111.'
Volgens De Haas gaat Les Adieux tot de standaardwerken behoren en daarom wilde hij het zo graag opnemen. Het complete werk voor piano van Loevendie moest nodig eens op één cd worden uitgebracht. 'Het is bijvoorbeeld voor Conservatoriumstudenten van belang deze uitstekende composities nu op één cd te hebben.'
Twee componisten die toch een heel andere taal spreken op één cd.
'Ton de Leeuw is monumentaal, diepgravend en spiritueel niet zozeer in de zin van geestig, maar van geestelijk. Loevendie met zijn ritme, dat sprankelende, virtuoze, het geestige, die - tongue in cheek - humor. Daarnaast voel je dat er ook een serieuze ondergrond aanwezig is. Daar heb ik voeling mee. Loevendie speel ik op een Steinway en De Leeuw op een Bösendorfer - als er in Les Adieux voor het eerst een lage bas komt, dan denk je bwaah'.
In het informatieve cd-boekje legt Loevendie in een kort vraaggesprek uit: ' Ritme is het basiselement van mijn muziek. Ritme ervaar ik als iets lichamelijks, iets fysieks'.
Volgens Polo de Haas is Loevendies Strides technisch een moeilijk stuk, hij heeft er jaren over gedaan om het zich eigen te maken. 'In het begin zat ik nog veel te veel na te denken over ieder akkoord, om er maar niet naast te slaan. De feeling komt pas na jaren van ploeteren.'
Loevendie over Strides:' Ik heb het vermogen om in mijn composities muzikale elementen van buitenaf (in het geval van Strides een ritme uit de jazz) te integreren en tegenstellingen te overbruggen. Ik gebruik vaak een tegengestelde dynamiek, in de linkerhand een crescendo terwijl er in de rechterhand een diminuendo plaats vindt'.
De Haas:' Er gaan wel een paar nachtjes slapen overheen voor je dát onder de knie hebt. Door schade en schande wordt je wijs en bij zo'n stuk als Strides heb ik echt gevoeld hoe het stuk na jaren groeide, interpretatief ook rijpte. Daar gaat veel tijd in zitten, dat is waar. Maar dat heb ik er graag voor over. Ik vind gewoon dat Nederlandse componisten vaker gespeeld moeten worden.
Het geeft me een goed gevoel wanneer een componist een nieuw stuk opstuurt. Dat is iedere keer weer een belevenis. En dan bellen ze me de volgende dag bij wijze van spreken op: wat vind je ervan? Dan zeg ik: ho, ho ik ben niet iemand die dat even doorkijkt en roept, ja wel goed jôh. Nee, ik ben daar weken mee bezig, dan pas kan ik me een goed beeld vormen. Die aandacht verdient iedere componist

VOLKSKRANT, vrijdag 13 november 1992
Jan Eilander

Polo de Haas, dertig jaar begenadigd pianist, dertig jaar pleitbezorger van de wondere wereld van muziek bij gelovigen en wantrouwigen. Middels tv-spelletjes, bloedserieuze recitals en vrolijke intermezzi. In de IJsbreker in Amsterdam presenteert hij vanavond zijn nieuwe cd. Een feestelijk en ook wel ernstig concert met Les Adieux van Ton de Leeuw, het complete oeuvre voor piano solo van Theo Loevendie, de wereldpremière van Ephitheta van Willem Jeths en zijn eigen Improvisations and Harmonies. "Wij zorgen voor hoefijzers, klavertjes 4, heerlijke dranken, taart met vuurwerk in de pauze en zwarte katten" meldt het P.S. onderaan de uitnodiging
(nb het was op vrijdag de dertiende!) Multipianist Polo de Haas, tevens zondagmiddag met Leoni Jansen en slagwerker Pierre Courbois in de Kleine Komedie te bewonderen, zet 's anderendaags met een danseres koers richting Hongkong.

Ergens achter in het hoofd liggen nog wat vage polaroids opgeslagen, oude jaren zeventig kiekjes. Een paar vriendelijke ogen en een soort van pagekapsel op een pianokruk. En iets van een spelletje: zeven muzikanten op een rijtje, die om beurten een noot van een bekende - maar verminkte - melodie spelen. Bijvoorbeeld: Al Je Ziek Jak Is Tijd. En kwis-kandidaten die net zo lang aan die muzikanten sjorden tot ze die in de volgorde Al - Tijd Is Kort - Jak - Je Ziek hadden staan.
Maar d'r was en is veel meer, de documentatiemap laat het geheugen alle hoeken zien. Polo de Haas, multi-multi pianist. Cum Laude afgestudeerd aan het conservatorium. Buitenlandse studies. Prijzen, eervolle vermeldingen (eerste prijs ICC Concours van 1962). Optredens met orkest, solo-optredens over de hele wereld. Eerst als klassiek pianist, later als vertolker van tegendraadser werk van Satie, Berio, Prokofjew, etcetera.
Tegenwoordig presenteert hij zich - in deze volgorde - als pianist alias vertolker van hedendaags gecomponeerde muziek, als improviserend jazzmuzikant, en als componist. In een tijdbestek van twaalf maanden - na een periode van betrekkelijke stilte - verschenen er drie cd's ter ere van zijn dertigjarig jubileum. Op de eerste cd speelt hij Soloduivelsdansen van Simeon ten Holt, Soolmaan is een cd van het Polo de Haas jazzkwartet, met Pierre Courbois, Egon Kracht en Leoni Jansen. Op de derde cd speelt hij stukken van Theo Loevendie (All works for piano), van Ton de Leeuw (Les Adieux) en z'n eigen compositie Improvisations and Harmonies.
Kortom, de jubilaris heeft een baaierd van disciplines bestreken. 'Het enige etiket dat je me kunt opplakken is dat ik geen etiket heb.' En toch heeft hij een heel duidelijk plaatje van zijn muzikale activiteiten. Het zijn niet zomaar lukraak dingen.
Polo de Haas, aardige man, goeie ideeën: hij stelt voor om het verleden het verleden te laten, en ons te richten op het heden. Dat verleden omploegen is onbegonnen werk. Even, heel even probeert hij het. Een stukje jaren zeventig. Hij pakt er wat oude partituren bij. Muziek geschreven als een stripboek. Keith Haring-achtige puzzles, krassen, wilde strepen en hier en daar een nootje. Partituren die moesten aansporen tot improvisatie. Hij was er altijd erg voor dat pianisten - ook zijn leerlingen - de muziek uit hen zelf haalden. Dat ze iets deden wat niet op papier stond. Het maakte niet uit wat, al gingen ze op de toetsen rammen. De Haas lacht. Dat was de ludieke tijd, zegt hij. Alles werd uitgeprobeerd. Boeken, kettingen, asbakken, flessen op de snaren, punaises op de hamertjes, piano's vol met pingpongballetjes. 'Maar dat hebben we nu wel een beetje gehad.'
Met hedendaagse gecomponeerde muziek heeft hij de meeste affiniteit. Dat doet hij het liefst, om de fantasie van die muziek gestalte te geven. En om - daar raakt hij een belangrijk punt - mensen die er niet zo vertrouwd mee zijn op het goeie spoor te zetten. Om mensen die denken dat alles wat modern is als pieppiepknor klinkt, over de streep te trekken. 'Want daar kan ik ook niet tegen. Tegen dat gegoochel met klankjes om interessant te doen.'
De stukken van - bijvoorbeeld - Theo Loevendie hebben een heel hoge moeilijkheidsgraad, zegt hij. Ze zijn heel grillig. Als je luistert naar Strides , of naar Walk, dan springen de akkoorden over het klavier. Da's een hele tegendraadse manier van spelen. Bij een klassiek stuk - iets van Bach of Beethoven - heb je een verwachtingspatroon. Dat akkoord gaat van dat akkoord naar dat akkoord. Dat is leuk, maar voor hem is het niet meer zo interessant. Hij grinnikt: vraag hem een niet-bestaand stuk in de stijl van Bach te spelen, en hij kan het. Een stuk in de stijl van Chopin: geen probleem. Maar de waarde van de hedendaagse muziek is juist dat het een heel andere kant opgaat dan die je verwacht. Het akkoord zelf is al een raar akkoord. Daarna moet je snel over naar een ander akkoord, dat ook al weer vreemd is. En dat dan 88 keer achter elkaar.
Die technische, die motorische moeilijkheidsgraad maakt het voor De Haas extra aantrekkelijk om te spelen zoals hij op de cd deed, dat kostte hem jaren. Vandaag speelt hij - een première - Ephiteta van Willem Jeths, een stuk waar hij maanden vrijwel dagelijks op gestudeerd heeft.
'Ik ga tot de grens dat het bespeelbaar is.' Hij is tegen - wat ze vandaag de dag noemen - The New Complexity. Hij is tegen componisten die hun stukken zo ingewikkeld maken dat iemand als Ferneyhough, die schrijft domweg een gigantische hoeveelheid noten op, die met een gigantische snelheid over het klavier moeten razen. De Haas heeft een stuk in z'n werkkamer liggen, 't is echt een onmenselijk stuk. En dat is precies wat Ferneyhough wil. Voor hem is een stuk pas interessant als de pianist na afloop niet meer in staat is tot een samenhangende klank of woord. En of z'n compositie nou voor 100% uit de verf komt of voor 80%. Als het maar gespeeld wordt. Daar houdt De Haas niet van. Hij wil horen hoe een stuk bedoeld is, niet iets wat het benadert. Als hij moeilijke dingen wil spelen, doet hij dat wel improviserenderwijs.
Nieuwe plannen. Hij zou wel een cd willen maken met curieuze klassieke muziek. Beethoven en Chopin heeft hij nu wel gehad, nee een cd met - bijvoorbeeld - Boris Pasternak. Boris Pasternak zullen de mensen denken? Ja, Boris Pasternak! Die Russische schrijver heeft zich van zijn vijftiende tot z'n negentiende bezig gehouden met componeren. Z'n muziek is beeldschoon, heel intrigerend, een beetje Rachmaninov-achtig. Hij had een groot componist kunnen worden, ware het niet dat hij om merkwaardige redenen gestopt is. Pasternak vond dat hij geen goed pianist was. Een onzin-reden eigenlijk, want de meeste componisten kunnen hun eigen werk niet spelen. Een componist heeft z'n composities in z'n hoofd. En dan nog - weet De Haas uit z'n multifunctionele praktijk - zou het heel knap of wel heel toevallig zijn als de componist weet hoe zijn compositie zou gaan klinken. Een componist doet er vaak maar een gooi naar, dat kan niet anders.
Pasternak vond het bovendien een handicap dat hij geen absoluut gehoor had. Ook onzin, eigenlijk. Een absoluut gehoor is voor een zanger misschien handig, maar voor een pianist niet. De tonen liggen toch allemaal vast.
' Ik heb zelf een absoluut gehoor en ervaar dat eerder als een beletsel.' In de jaren veertig, toen zijn absolute gehoor zich heeft gevormd, stonden alle instrumenten veel lager gestemd dan nu. Veel lager, het scheelt zeker een halve toon. Als hij nu een symfonie hoort, weet hij niet meer in welke toonsoort het is geschreven. Als de F niet klinkt als een F, maar als een Fis of een E, raakt hij helemaal in de war.
De jaren tachtig waren voor De Haas - na al die aandacht in de jaren zeventig - een stille periode. Hij kwam steeds moeilijker aan de bak. Hij deed veel verschillende dingen, hij hoorde nergens bij, hij was niet in een hokje te proppen. En dat werd door de moderne muziekscene nauwelijks geaccepteerd. 'Nee, je mag niet met ons meedoen, want je zit daar ook al bij.' En zo ging het maar door. Steeds meer deuren vielen dicht.
Daar kwam bij dat dat televisieprogramma Spelen met muziek ook averechts ging werken. Aanvankelijk genereerde het veel extra optredens, iedereen wilde wel die meneer van de tv wel eens zien. Maar heel vaak trok hij een verkeerd publiek: grijze hoofden die niet voor Erik Satie kwamen, maar voor een spelletje. En de 'serieuzere' zaaleigenaren reageerden precies tegenovergesteld: die meneer van dat populaire programma - er keken zo'n 800.000 mensen naar - , dat kon niks wezen. Dus, d'r was inderdaad niet veel te doen. Om wat om handen te hebben, is hij glas-in-lood-ramen gaan maken. Het stomste wat je als pianist kan doen. Al die glassplinters en die gemene stoffen. Z'n vingertoppen werden helemaal rauw. Zelfs als hij gewild had, had hij niet kunnen spelen.
In die tijd vond hij het moeilijk om zich op te dringen aan mensen die hem niet wilden horen. Na verloop van tijd kreeg hij toch iets van: het is toch te gek dat hij zich door de goegemeente buitenspel liet zetten. Z'n houding veranderde. Hij besloot dat hij hoorde bij wie hem horen wilde. En het grappige is dat uiteindelijk steeds meer - juist jonge - mensen voor hem muziek gingen schrijven. 'Een van mijn volgende projecten is een cd met jonge hedendaagse componisten.'
Hij wil zich niet ophemelen, of aanprijzen - ' ik ben vrij bescheiden van aard' - maar hij heeft veel ritme in zijn spel. Dat spreekt die jongeren waarschijnlijk aan, ze kunnen grote dynamische verschillen maken, van fluisterzacht tot keihard. Dat hele scala denkt De Haas wel te beheersen. Sinds zijn vierde jaar is hij in de weer met de toetsen van het klavier. De toetsen zijn z'n vingers, hij heeft het gevoel dat hij er alles mee kan. Zelfs zingen als het ware. Die dingen die op z'n laatste cd staan, die repeterende tonen en zo, daar hoeft hij niks voor te doen. Dat gaat vanzelf. Van elk instrument kan hij nog wel wat maken.
Gisteren repeteerde hij in een dansstudio - maandag vertrekt hij met een danseres naar Hongkong om Soloduiveldansen uit te voeren - en daar stond een heel oud beestje. Je gaf er geen cent meer voor. Maar hij speelde erop, improviseerde wat en dacht: dit is echt een schat. Ze wordt alleen teveel afgeranseld en in elkaar geslagen.